Terug naar het overzicht

Handgifte

1.1                      Definitie en voorwaarden

De handgift (of schenking van hand tot hand) is een vormvrije schenking die geldig tot stand komt door de materiële overhandiging van de te schenken goederen (“traditio”), waarbij de schenker de intentie heeft de ander te begiftigen (“animus donandi”).

Gelet op het feit dat de “traditio” een wezenlijk element is, kan een handgift enkel betrekking hebben op lichamelijke roerende goederen (juwelen, meubilair, cash geld, enz.) of onlichamelijke roerende goederen, waarvan het recht in de titel is geïncorporeerd (cheque aan toonder).

Aandelen op naam komen niet voor een handgift in aanmerking. Wanneer deze geschonken worden moet dit verplicht gebeuren via een ter registratie aan te bieden notariële akte, waardoor onvermijdelijk het schenkingsrecht verschuldigd is.

Ook onroerende goederen zijn uitgesloten van handgift.

Voor een geldige handgift dienen drie voorwaarden cumulatief vervuld te zijn:

Traditio

Er dient een werkelijke, onherroepelijke en materiële overdracht van de geschonken goederen te zijn. Onherroepelijk betekent dat de schenker na het stellen van de handgift geen daden als bezitter, noch eigenaar kan stellen. Zo is er geen traditio indien de schenker geld op de rekening van de begiftigde stort, terwijl de schenker een volmacht heeft op deze rekening.

De “traditio” hoeft ook niet noodzakelijk door de schenker persoonlijk te gebeuren. Hij kan zich laten vertegenwoordigen door een tussenpersoon. De schenker mag dus de goederen aan een gevolmachtigde geven, opdat hij ze aan de begiftigde zou overhandigen.

Animus donandi

Dit is de wil om de zaak te schenken. Deze wordt niet vermoed, doch dient bewezen te worden. Om latere bewijsproblemen te voorkomen wordt de animus donandi vaak uitdrukkelijk vermeld in een bevestigingsbrief die door de schenker aan de begiftigde wordt verstuurd.

Aanvaarding door de begiftigde tijdens het leven van de schenker

Deze aanvaarding kan stilzwijgend (door de goederen in ontvangst te nemen), maar ook uitdrukkelijk (door het dankbriefje van de begiftigde gericht aan de schenker).

Indien deze voorwaarden niet vervuld zijn, is er immers sprake van een nietige handgift, met de heffing van successierechten bij overlijden van de schenker als gevolg.

1.2                      Het bewijs van de handgift

Bij een notariële schenking is het altijd duidelijk dat aan een bepaalde overdracht een schenking ten grondslag ligt. Men heeft immers een akte met vaste datum als bewijs.

Bij een handgift is het moeilijker daar er geen specifieke vormvereisten moeten nageleefd worden. Er moet dus niet echt een geschrift opgemaakt worden. Men zal dus, met alle middelen van recht, moeten kunnen aantonen dat aan de drie voorwaarden van een handgift is voldaan.

Met het oog op latere bewijsvoering is het aan te raden de handgift te laten begeleiden door het nodige papierwerk.

Een geschreven bewijs is bovendien nuttig om bepaalde modaliteiten, voorwaarden en lasten aan de handgift te koppelen. In de rechtsliteratuur spreekt men in dit geval vaak over een “pacte adjoint”.

Het opstellen van zo’n geschrift dient met de nodige omzichtigheid te gebeuren. Het geschrift moet zodanig worden opgesteld dat het louter een bewijs is van de reeds gedane handgift en niet geïnterpreteerd kan worden als de schenkingstitel zelf. Dan ontstaat het risico van nietigheid van de schenking wegens miskenning van het vormvoorschrift van Art. 931 B.W. (vereiste van een notariële akte).

Zo’n geschrift kan bovendien éénzijdig of bilateraal zijn.

Het opmaken van een gezamenlijk document wordt vaak afgeraden, omdat de eventuele neerlegging op het registratiekantoor ervan de heffing van de evenredige schenkingsrechten meebrengt.

Bij het opmaken van een éénzijdig document dient een onderscheid gemaakt te worden naargelang de schenker of de begiftigde de ondertekenaar is. Een éénzijdig document uitgaande van de schenker geeft slechts aanleiding tot de heffing van een algemeen vast registratierecht (€ 25,00). Een éénzijdig document uitgaande van de begiftigde daarentegen geeft aanleiding tot de heffing van schenkingsrechten.

In de praktijk wordt dit bewijs meestal geleverd door twee aangetekende brieven:

·         Een aangetekende brief van de schenker aan de begiftigde waarin het voornemen tot schenking kenbaar wordt gemaakt of waarin de reeds uitgevoerde schenking wordt bevestigd;

·         Een aangetekend antwoord van de begiftigde waarin de schenker wordt bedankt.

Door de verzending per aangetekende post krijgt het geschrift een semi vaste datum. Dit is van belang voor het bewijzen van het verstrijken van de driejarige termijn in het kader van successierechten.

1.3                      De handgift met voorbehoud van vruchtgebruik

Voorbehoud van vruchtgebruik bij schenkingen is uitdrukkelijk geregeld in Art. 949 B.W. en Art. 950 B.W., maar over vruchtgebruik bij handgift vindt men niets terug in het wetboek.

De kern van het probleem ligt zich op het niveau van de “traditio” vereiste. De vraag is of voorbehoud van vruchtgebruik te verzoenen is met de voorwaarde van een daadwerkelijke, onmiddellijke en onherroepelijke overdracht van de geschonken zaak.

Door het gebrek aan éénsgezindheid is het dan ook aan te raden de techniek niet toe te passen om achteraf alle discussies uit te sluiten.

Een alternatief voor de handgift met voorbehoud van vruchtgebruik is een handgift in volle eigendom, maar onder last. De last zal er in bestaan dat de begiftigde de “vruchten” van het geschonken goed (bv. dividenden van aandelen, de intrest van een geschonken geldsom) periodiek moet uitbetalen aan de schenker. Bijgevolg heeft de schenker niet langer een zakelijk recht op de geschonken zaak, maar alleen nog een persoonlijk vorderingsrecht.

Het zakelijk recht dat het vruchtgebruik is, is een niet te onderschatten voordeel bij verstoorde verstandhouding tussen partijen en zéker bij onsolvabiliteit van de begiftigde. Een zakelijk recht is immers tegenstelbaar tegen derden, terwijl de houder van een persoonlijk vorderingsrecht in samenloop komt met de andere schuldeisers van de begiftigde.

1.4                      De fiscaliteit van de handgift

De goederen waarover de erflater minder dan 3 jaar vóór zijn overlijden beschikte, worden geacht deel uit te maken van de nalatenschap, indien deze nog niet reeds onderworpen werden aan het registratierecht. Dit is te lezen in Artikel 7 van het Wetboek van Successierechten.

Een oplossing hiervoor ligt in de regularisatie van de gedane handgift. Men kan een geschrift uitgaande van de schenker (of van schenker en begiftigde samen) vóór het overlijden aanbieden ter registratie. De handgift wordt dan geregistreerd aan 3% of 7%, naargelang de graad van verwantschap, op de waarde van de geschonken goederen op moment van aanbieding ter registratie. Bij overlijden zullen er geen successierechten meer moeten betaald worden. Ook de regel van de progressiviteit zal niet spelen.